Rhinopneumonie bij paarden

Equine Herpes Virus, ofwel rhino

Bij paarden zien wij twee belangrijke types van het Equine Herpes Virus (Rhinopneumonie) : type EHV 1 en type EHV4. Type 4 is wijd verspreid in Nederland en veroorzaakt vooral griepachtige verschijnselen. Deze zien we meestal bij gespeende veulens en jaarlingen, waarbij gebrek aan eetlust, koorts, neusuitvloeiing en hoesten kunnen optreden. Type 1 is in principe veel schadelijker . Naast dezelfde griepachtige verschijnselen als bij EHV4, veroorzaakt dit type ook verwerpen, doodgeboorten en/of verlammingen. De eerste symptomen van een EHV1 infectie zijn meestal weinig specifiek: koorts, niet eten, neusuitvloeiing en dikke benen. Drie tot 10 dagen later kunnen ook verlammingsverschijnselen optreden, variërend van een slappe staart, problemen met de coördinatie tot een totale verlamming van de (achter)benen.

Kenmerken van herpesinfecties zijn dat er

  • geen goede en langdurige weerstand wordt opgebouwd;
  • besmette dieren levenslang smetstofdrager blijven;
  • met goede hygiene verspreiding via de mens te voorkomen is.

De op de markt zijnde vaccins bieden bescherming tegen de verkoudheidsvorm, dus de griepachtige verschijnselen. Er is geen waterdichte bescherming tegen verwerpen en voor verlammingsverschijnselen is bescherming ook niet 100% . Vaccineren is wel zinvol om de uitscheiding van het virus te beperken. Daarom heeft het de voorkeur om alle paarden in de stal te vaccineren tegen EHV. Paarden moeten 2x per jaar geent worden na de basisvaccinatie. Daarnaast moeten goede management –maatregelen genomen worden, zoals het in quarantaine plaatsen van nieuwe paarden.

Vaststellen van een infectie met EHV1 is nodig om overdracht naar andere paarden en bedrijven te voorkomen door bijvoorbeeld het treffen van hygiënische maatregelen, het isoleren van geïnfecteerde paarden en eventueel het tijdelijk ‘op slot doen’ van het betreffende bedrijf.
 

Hoe wordt een EHV1 of EHV4 infectie vastgesteld?

Het beste is het aantonen van een virus door middel van een PCR-test. Dit kan in neusslijmmonsters, genomen tijdens of vlak na de koortspiek. Omdat EHV1 ook tijdelijk in het bloed circuleert kan ook een bloedmonster worden ingestuurd voor onderzoek met de PCR. Deze test is snel en gevoelig en maakt direct onderscheid tussen EHV1 en EHV4.

Bij verwerpen is niet de merrie, maar het verworpen veulen onderwerp van onderzoek. Na sectie op veulen en, bij voorkeur ook op de placenta, wordt door middel van microscopisch onderzoek met een IFT (immuunfluorescentie-test) de diagnose EHV1 gesteld. Omdat de tijd tussen infectie en verwerpen vrij lang is (2 weken tot 4 maanden) is het onderzoeken van de merrie op het moment van verwerpen niet zinvol. Sectie van het veulen is zinvol, omdat ook andere oorzaken van verwerpen een rol kunnen spelen.
 

Advies

Raadpleeg ons zo snel mogelijk bij paarden met griepachtige verschijnselen /koorts/dikke benen. Het is namelijk belangrijk dat neusslijmmonsters tijdens of vlak na de koortspiek worden genomen voor de PCR-test. Na verwepen dienen het veulen en de placenta ingezonden te worden voor nader onderzoek. Als EHV wordt aangetoond dienen strikte hygiene maatregelen te worden genomen. Met name contact van besmette, verdachte of vreemde paarden met drachtige merries dient voorkomen te worden.